Recensies
Terugkomen in het leven
Vorig jaar besloot Naima El Bezaz vanwege bedreigingen de publiciteit te mijden. Ze vertelt nu waartoe de hervonden stilte heeft geleid: haar beste boek, de roman Het gelukssyndroom.Door Arjan Peters Foto Jean-Pierre Jans
‘Openhartig ben ik, hè?’ Er valt een korte stilte, waarin Naima El Bezaz (Meknés, 1974) de woorden nakijkt die zojuist haar mond verlieten. Ze is er beduusd van, in tweeërlei opzicht – dat ze zich zo kwetsbaar opstelt, en dat nog met zoveel woorden zegt ook.
Er is iets veranderd met haar in de afgelopen jaren, toen een sluimerende zwaarmoedigheid door de bevoegde instanties tot een ernstige ‘vitale depressie’ werd verklaard, juist toen ze moeder was geworden en in verwachting raakte van haar tweede dochter, die vier maanden geleden is geboren.
En in het voorjaar van 2007 werd de schrijfster op internet bedreigd vanwege de taboes die ze in boeken en artikelen aanroerde; de Marokkaanse student die de aanstichter bleek, kreeg honderd uur taakstraf; de opiniejournalistiek rook een kwestie en stortte zich er op.
El Bezaz: ‘Ik had er totaal geen controle over, kreeg paniekaanvallen. Opeens had iedereen het er over, vermoedelijk aangetrokken door de sensatie. Maar ik verlangde vooral naar rust.’
Die heeft nu geleid tot haar vierde boek, Het gelukssyndroom, het verhaal over Layla die haar Hollandse doodzieke vriendin Marit op sleeptouw neemt. Als tolk en reisbegeleidster voert ze Marit mee naar Layla’s familie in Marokko. Terwijl de kankerpatiënte daar kif rookt en alcohol drinkt, volop genietend van een leven zonder toekomst, komt Layla zelf steeds meer in de verdrukking. Terug in Nederland is ze uitgeput, en moet professionele hulp zoeken.
Vlak nadat ze Marit heeft verloren, besluit Layla alles op te schrijven, op aanraden van haar psychiater. Dat is het rauwe relaas van Het gelukssyndroom geworden, beginnend op een nulpunt, ‘Zero’, dat regelmatig in de tekst terugkeert.
En op de eerste pagina staat: ‘Een waarschuwing: dit wordt geen meesterwerk’, en: ‘Ik ben goed in verhalen, maar stilistisch geen talent.’ Dat schrijft Layla, 28 jaar, opgegroeid in een moslimfamilie, en geboren in Meknés.
Maar het wordt moeilijk om die openingswoorden niet ook op de schrijfster Naima El Bezaz te betrekken, die zonder zweem van koketterie meteen verklaart het zeer bijzonder te vinden dat ze voor het boekenkatern van de Volkskrant wordt geïnterviewd. ‘Echt, want ik behoor niet tot de groten.
‘Het klopt dat Layla’s woorden ook de mijne zijn. En ik wil de lezer daar niet mee behagen, want toen ik aan dit boek begon, op advies van mijn psychiater, dacht ik niet eens aan een lezer, of zelfs maar aan een boek. Ik bevond mij geestelijk en lichamelijk op een dieptepunt, was moe en angstig, kwam bijna mijn slaapkamer niet uit, gordijnen dicht en mijn dochter bij mijn moeder.
‘Ik ben nog steeds bezig uit het dal op te krabbelen. Het leven valt mij zwaar, en ik heb geen hoge dunk van mezelf.’
Symptomen van melancholie waren er altijd al, ontdekte ze in de afgelopen jaren. Vergelijkbaar met wat Layla in Het gelukssyndroom ervaart, die haar belevenissen met Marit vermengt met beeldende jeugdherinneringen, en stilaan inzicht verkrijgt in haar eigen benarde situatie. Waar ze ook aan denkt, en waar ze ook kijkt, telkens stuit ze op gevoelens van onveiligheid. En die uitspreken is een taboe in de Marokkaanse gemeenschap, waar wel veel wordt gepraat maar nooit dáárover. Ambitie en imago gaan vóór.
Desondanks wil Layla haar depressie niet aan externe factoren wijten. Haar eigen dwang om alles perfect te willen doen, is het grootste struikelblok, zo schrijft ze in een van de ‘Zero’-passages, die ze eenmaal vrijmoedig afsluit met ‘Eerst even plassen.’ Een intimiteit die de lezer dichtbij laat komen. Maar ook zoiets, zegt de auteur, schreef ze niet met dat oogmerk.
Toch is het een verhaal geworden, en geen dagboek. El Bezaz: ‘Ik kan niet over mezelf schrijven. Het gaat altijd over anderen, het wordt een verhaal, en in die vorm kan ik mijn ervaringen, angsten en herinneringen wel onderbrengen. Door te schrijven werd de pijn minder, ik kon ontsnappen aan mezelf. ’s Nachts schreef ik, was daarna ontspannen en kon een paar uurtjes slapen.
‘Eerst even plassen, dat wás ook gewoon zo. We leven in een wereld waarin mensen zich vaak beter voordoen, om maar te laten zien hoe geslaagd en succesvol ze zijn. Kwetsbaarheid staat voor zwakte. Dat vind ik te vermoeiend. Ik wilde dit keer grenzeloos eerlijk zijn. Depressie is in de cultuur waar ik uit voortkom door schaamte omgeven. Daar wil ik van af.
‘Mijn dochters, nu bijna vier jaar en vier maanden oud, moeten niet zo worden als ik. Ze moeten gewoon met speelgoed kunnen spelen, wat ik nooit heb gedaan. Ik wil dat ze vrij zijn, zonder zich te hoeven schamen voor wie ze zijn. ’
‘Wanneer was ik gelukkig of tevreden’, vraagt Layla in Het gelukssyndroom zich in gemoede af, maar er wil haar niets te binnen schieten.
In de roman maken verschillende personages uit eerdere boeken van El Bezaz hun opwachting, zoals de Marokkaanse neef Ghali, de illegaal die in haar debuut De weg naar het Noorden (1994) ontdekt dat hem in Nederland het verbeide geluk niet wacht; of de oude wijze Lalla Rebha uit de verhalenbundel Minnares van de duivel (2002) die tegen forse betaling de zwarte magie beoefent, overigens met dubieus resultaat.
Zo is Het gelukssyndroom onbedoeld een brandpunt geworden van El Bezaz’ thema’s en obsessies. Haar hoofdpersonen vallen dikwijls tussen twee werelden; het land van afkomst en dat van aankomst, de wereld der geesten en die van de ontnuchterende praktijk, verwachtingen versus werkelijkheid.
Sommige andere Nederlandse schrijvers van buitenlandse afkomst beschouwen hun thuisloosheid en ontworteling als vrijheid, maar El Bezaz komt voortdurend bij die onveiligheid uit, die van jongs af aan bij haar lijkt te horen. Dat onder ogen zien, door middel van dit verhaal, betekent nog geen genezing, maar is een stap onderweg daar naar toe.
El Bezaz: ‘In dit boek komt alles samen. Voor mij zelf was het schrijven noodzakelijk om weer terug te komen in het leven, en het verrassende is – mag ik iets heel arrogants zeggen wat ik niet arrogant bedoel? – dat dit diepe verdriet ervoor heeft gezorgd dat Het gelukssyndroom mijn beste boek is geworden. Zonder het te weten, dus ook zonder enig effectbejag, heb ik het taboe van mijn leven aangeraakt.’
En weer valt er een stilte, gevolgd door een welgemeend: ‘Hoe raar het kan gaan.’
Openheid van zaken wilde ze geven, nu er zoveel op het spel stond. Daarom koos El Bezaz ervoor haar roman te laten volgen door een hoogstpersoonlijk naschrift, waarin ze zelfs de namen noemt van de doktoren die haar tijdens haar depressie hebben begeleid.
‘Alles is hier bespreekbaar, hoor je vaak, maar ik merk al te vaak dat depressiviteit wordt gezien als iets lastigs waar je je overheen moet zetten, niet als een ziekte. Net zoals bij rouw: je wordt gecondoleerd, krijgt kortstondig bezoek, maar daarna word je ontweken, omdat we vaak niet weten hoe we ermee moeten omgaan.
‘Zo wordt er weliswaar in de media geregeld over depressie gesproken, maar in de directe omgeving blijkt er dikwijls een grote onhandigheid. Mensen gaan met rugklachten naar de dokter, en krijgen daar medicijnen voor, maar soms lijden ze aan iets anders, en dat zien ze dan niet onder ogen en blijven er mee rondlopen.
‘Om die reden komt de depressie van Layla pas in de loop van de roman aan de orde – ze denkt dat ze moe is omdat ze aldoor dienstbaar moet zijn aan haar vriendin die aan kanker lijdt. Dat ze zélf ook ziek is, blijkt pas in de tweede helft van Het gelukssyndroom.
‘Dat bedoel ik met de vorm van een verhaal; dat ik daardoor iets wezenlijks kan vertellen. De manier waarop het wordt verteld, schenkt me die mogelijkheid. Daarom is het een roman, en geen honderd procent autobiografisch proza, er van afgezien dat het voor mij ook een therapeutische werking heeft gehad. Door er een verhaal van te maken – dat ik niet hoefde te maken in de zin van construeren, want ik heb vorig jaar en dit voorjaar in de nachtelijke uren spontaan zitten schrijven –, kan ik anderen hopelijk laten zien wat een depressie is.
‘Ik heb geen goede jeugd gehad, maar ik wil mijn ouders daar niet de schuld van geven. Zij waren óók slachtoffers van hun omstandigheden. Die onveiligheid zit in mezelf. De eerste paar jaar in Marokko, en later ook in Nederland. Ontheemdheid die niet tot vrijheid leidt. Behalve als ik aan het schrijven ben. Toen ik met dit verhaal bezig was, voelde ik me veilig. Daar kon ik me aan vasthouden. En vervolgens, nadat ik het boek had ingeleverd bij mijn redacteur van uitgeverij Contact, die zei dat het goed geschreven was, riep ik weer: ‘Ik geloof er niks van!’
‘Die onzekerheid is dus niet verdwenen, maar die was wel tijdelijk opgeheven toen ik eraan werkte.
‘Herinneringen die ineens bovenkwamen, ook grappige, zoals mijn kennismaking met het vreemde wezen dat Sinterklaas wordt genoemd. En de gebruiken die daarbij hoorden! Ik stopte een wortel in mijn schoen, maar de volgende dag vond ik gewoon die wortel weer terug. Mijn moeder wist namelijk absoluut niet wat er van haar werd verwacht.
‘Ik snapte er niets van. En een klasgenootje van mij, dat ook Naima heette, overkwam hetzelfde. Die stopte wortels in alle schoenen die ze thuis kon vinden. Volgende dag: alleen maar wortels. Ik dacht meteen dat ik waarschijnlijk iets verkeerd had gedaan. Maar wat? Waarom vonden andere kinderen een kadootje in hun schoen, en ik steeds maar weer die wortel? Toen mijn moeder het eindelijk door had, kreeg ik een pop.
‘Maar wat moest ik daar mee? Spelen. Had ik nooit gedaan. Het was allemaal één groot raadsel. Die Sinterklaas-scène heb ik ook in Het gelukssyndroom opgenomen. Ik was het voorval vergeten, maar door het schrijven welde die herinnering op, en die bleek achteraf bruikbaar om het karakter van Layla te schetsen.
‘Met mijn kinderen wil ik het overdoen. Zodra mijn dochtertje Sarah straks in november een wortel in haar schoen stopt, dan ga ik haar grote kado’s geven. Wordt zij tenminste niet teleurgesteld. En wanneer ze zich gaat afvragen: ‘Hoe kan dat, wij hebben toch geen schoorsteen?’, dan zal ik antwoorden: ‘Nee, maar ik heb het raam opengelaten.’